Categorieën
blog

De Johan Cruijff van de 21e eeuw

“Ik kies altijd voor de groep, want daarmee kies je altijd voor jezelf.”

Ik ben al jaren, sinds Portugal 2004, een groot fan van Wie is de Mol. Dit jaar wordt er een jubileumseizoen uitgezonden, dat zich weer in Portugal afspeelt.

(Ik hoop dat ze icoon George nog laten terugkomen in de finale zaterdag.)

Eén van de deelnemers dit jaar is Nathan Rutjes, een oud-voetballer van Sparta en Roda JC, bekend om zijn mat en grote grijns. De eerste keer dat hij meedeed, in 2020, was hij al snel een publiekslieveling vanwege zijn groepsmentaliteit en positivisme. (“Als ik voor het team kan kiezen in plaats van voor mezelf, zal ik altijd voor het team kiezen” en “Ik denk dat ik een klein wereldrecord heb neergezet.”)

En ook dit jaar komt hij weer een paar keer prachtig uit de hoek.  En dan vooral gecombineerd met altijd een brede grijns.

“Ik neem iedereen mee en sluit niemand uit.”

“Als je mij zou vragen of ik het nog een keer zou doen, dan zou ik echt … ja zeggen.”

“Mijn spel is mensen kunnen vertrouwen.”

En, nadat hij een bal heeft geput vanaf 3 meter, gaat hij niet meteen terug naar de presentator voor zijn beloning, maar pakt uitgebreid eerst een succesmomentje.*

“Als je scoort, moet je dat altijd vieren.”

Alsof hij ze uit zijn mouw schudt, deze prachtige one-liners. Ik ben er jaloers op. Ik benoem hiermee Nathan Rutjes de Johan Cruijff van de 21e eeuw.

(Met Sahil Amar Aïssa overigens een hele goede tweede.)

In de retorica heet dit een sententie, een kernachtige spreuk, vaak met een ethische inhoud, of letterlijk een volzin. De belangrijkste eis is dat hij goed te onthouden is. Oorspronkelijk komt het van het Latijnse sententia, wat ‘mening’ of ‘gevoel’ betekent. Politici zijn vaak expres op zoek naar (bij voorkeur mooie) oneliners om in hun verhaal te stoppen. Die worden snel opgepakt door de pers, zo is de gedachte.

Het is vooral een kunst om ze niet gemaakt te laten voelen. “Een slechte vrede is erger dan oorlog”, zei Tacitus. Het voelt alsof het ter plekke was bedacht, maar ondertussen is het de samenvatting van het hele verhaal. Of “In gunstige tijden heb je vele vrienden, maar in ongunstige ben je alleen” van Ovidius.

Een aantal modernere varianten zijn bijvoorbeeld “Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg” (Pim Fortuyn), “Ik ben niet links, ik ben niet rechts, maar ik ben rechtdoorzee” (Rita Verdonk) en “We moesten een meloen doorslikken” (Gert jan Segers). En dan heb je natuurlijk bijna alles dat tegenwoordig aan Cruijff, Churchill en Einstein wordt toegeschreven.

Ter afsluiting nog een persoonlijke lievelingssententie:

“You can never be overdressed or overeducated.” (Oscar Wilde)

*: ja, ik weet dat hij mogelijk De Mol is.

Pepijn Vemer

Categorieën
blog

Mijn favoriete stijlfiguur: de zelfverbetering

Als men het heeft over stijlfiguren, komen de klassiekers altijd wel naar boven. De drieslag, de alliteratie of het chiasme. Misschien noemt men wel eens de metafoor, hyperbool of de retorische vraag.

Maar mijn favoriete stijlfiguur staat er bijna nooit tussen.

Nee, laat ik het niet mijn favoriete stijlfiguur noemen: het is in mijn ogen het meest effectiéve stijlfiguur.

De correctio, oftewel de zelfverbetering.

Bij een zelfverbetering corrigeert de spreker (of in dit geval ik als schrijver) zichzelf bewust. Daardoor wordt het publiek extra gewezen op wat er gezegd wordt. En daarmee wordt de feitelijke betekenis versterkt. Neem het voorbeeld hierboven: “Nee, laat ik het niet mijn favoriete stijlfiguur noemen”. Door terug te komen op mijn eerdere opmerking, krijgt de volgende bewering, “het meest effectiéve stijlfiguur” alle aandacht.

Een ander voorbeeld, dit keer van Cicero, in de eerste redevoering tegen Catalina:

“Toch leeft hij nog. Leeft hij nog? Sterker, hij komt in de senaat.

Of Hamlet, die zich uitspreekt tegen het huwelijk van zijn moeder met zijn oom, wel erg snel na de dood van zijn vader:

“That it should come to this!

But two months dead – nay, not so much, not two.”

Wat ik zelf wel aardig vind aan de correctio is dat wanneer je dit goed doet, je je publiek een extra duwtje geeft in de aandacht. Vergelijk het met een groep mensen die achter de toergids aanloopt door een kasteel. Men luistert soms maar half, kijkt om zich heen en ziet dingen die de gids niet aanwijst. De gids loopt verkeerd loopt, stopt ineens midden in de gang, en neemt een paar stappen terug. Terwijl de groep de andere gang inloopt, is meteen iedereen weer bij de les.

En de plek waar dit is gebeurt, zal je altijd blijven onthouden als je terugdenkt aan de rondleiding.

En dat kan je dus ook expres doen.

Hieraan verwant is de dubitatio, oftewel de aarzeling, ook zo’n mooi stijlfiguur. De spreker doet alsof hij moet kiezen tussen diverse mogelijkheden. En als hij dan uiteindelijk kiest voor één mogelijkheid, heeft hij ondertussen, door alle mogelijkheden te hebben genoemd, de complexiteit van de situatie beklemtoond. Of je stelt een overleggende, aarzelende of vertwijfelde vraag. Zo kan je een slag om de arm houden, of de beslissing aan je publiek overlaten, of medelijden oproepen als alle opties slecht zijn. Zo kan ik mijzelf bijvoorbeeld afvragen “Hoe moet ik dit stuk nu eindigen?”

Stijlfiguren maken onze teksten overtuigender, levendiger, interessanter voor je publiek. Als de kers op de taart, de krenten in de pap, de puntjes op de i. En daarmee is het vooral ook leuker voor jou als spreker of schrijver.

Pepijn Vemer