Categorieën
blog

Lessen van een conferentie 1

Onlangs was ik op een conferentie over strategie en leiderschap. Mooi georganiseerd door een bedrijf voor zijn klanten en relaties. En daar gebeurden een paar interessante dingen waardoor je scherper kunt denken over presenteren en over de vaak onbenutte meerwaarde van de deelnemers van zo’n bijeenkomst.

1 Wat kun je leren van de sprekers?

Dit gaat over de sprekers. Misschien helpt het sommige mensen beter te presenteren. Het verhaal over de meerwaarde van deelnemers volgt.

Ik zag een stuk of tien sprekers. Van absoluut briljant tot in het gelukkige bezit van aanzienlijke ruimte voor verbetering. 

De kern van een goede presentator op een conferentie is het vermogen de aanwezigen mee te nemen. Charisma doet er niet toe, vlotheid niet, kwaliteit (of zelfs aanwezigheid) van slides ook al niet. Het is meestal genoeg om duidelijk te zijn, vriendelijk en je publiek de ruimte te laten zijn eigen conclusies te trekken.

Duwen versus verleiden

Er waren twee soorten sprekers, de duwers en de verleiders. Duwen herken je aan de claims met beperkte onderbouwing die op het publiek afgevuurd worden, hoog tempo, voortdurend luide stem. Sprekers die het publiek proberen te onderwerpen. Er was een spreker die zei: “Waar de minste verbinding zit, is de meeste vertraging… en met strategie kun je versnellen en dat wil iedereen natuurlijk.” Een claim, mogelijk wartaal, zeker niet onderbouwd. En onderbouwen moet als je argumenteert. Maar je hoeft niet altijd te argumenteren, te duwen. Soms kun je verleiden.

Verleiden doe je door het publiek uit te nodigen mee te denken, ruimte te laten voor twijfel, een gesprek te voeren terwijl je een monoloog houdt. Een opening die begint met een reeks statements, hoe briljant ook, creëert afstand. Een opening die een vraag stelt, een paradox opwerpt, of een herkenbare situatie beschrijft trekt mensen naar binnen. Maar het zit niet alleen in de vorm, het zit nog veel meer in hoe je je tot de zaal verhoudt. Er was een spreker die vroeg hoe we er in de zaal bijzaten. Hij probeerde een dialoog te starten, maar het lukte niet. Hij was een duwer die zijn eigen gelijk kwam brengen. Hij vermomde zich als verleider.

Ingewikkelde materie helder maken

We kunnen niet allemaal motivational speaker zijn. Sommige mensen moeten en willen serieuze en ingewikkelde inhoud brengen. En dan blijkt dat de beste sprekers vooral heel helder zijn. Ze leggen begrippen expliciet uit, geven voorbeelden bij abstracte concepten, en tonen het materiaal echt te kennen. Niet alleen door een goed voorbereid verhaal te vertellen, maar ook door live bij te sturen en helder te blijven. Het verhaal wordt live, in samenwerking met het publiek geproduceerd. Niet uit het hoofd voorgedragen en al helemaal niet opgelezen. 

Bij deze bijeenkomst was er een econoom die uitlegde hoe een nieuwe economie eruit zou kunnen zien. Goed voor alle mensen, de natuur en het klimaat. Helder verhaal, fraaie slides, concepten uitgewerkt met uitleg en voorbeelden. Glashelder. Duidelijk goed voorbereid. Maar toen hij nieuw materiaal van Piketty – naar eigen zeggen voor het eerst – toevoegde bleef dat even helder. En toen hij een vraag uit de zaal kreeg was hij nog steeds duidelijk. Hij had niet alleen zijn verhaal goed voorbereid, maar ook het vermogen ontwikkeld om helder te spreken.

Als je dat ook wilt begin je structuur in je verhaal te brengen. Concept, uitwerking en voorbeelden in een pakketje. Vijf pakketjes. Begin waarin je verbinding legt met het publiek en einde waarin je alles nog eens samenbrengt. Simpel. Maar helemaal niet makkelijk. Oefenen, dus. Elke dag weer. Je komt thuis en je vertelt hoe je dag was. Volgens deze structuur, maar dan zijn drie pakketjes genoeg.

Verhalen als structuur om inzicht te genereren

De wereld zit vol mensen die storytelling willen beheersen, terwijl vrijwel niemand kan zeggen wat hij daarmee bedoelt. Een spreker liet zien hoe je het kan doen. Hij noemt zich volksfilosoof, gebruikt geen slides en vertelt verhaaltjes. Vier of vijf losse verhaaltjes. Elk met een moraal, maar in combinatie van twee, drie of alle verhaaltjes tegelijk ontstaat er een beeld van wat het is om mens te zijn. Het resultaat was dat het publiek zelf de conclusie begon te voelen voordat hij haar uitsprak. 

Hij vertelde dat we eigenlijk een totaal ander mens worden in de loop der tijd. We zijn niet de persoon die we twintig jaar geleden waren. Maar we zijn ook niet de persoon die we over twintig jaar zullen zijn. Dus als we nu stoppen met roken heeft iemand anders daar baat van. Willen of moeten we dan wel stoppen? Het inzicht werd mogelijk gemaakt en niet erin geramd. Dit vraagt discipline en ervaring, maar is heel effectief, omdat het zich onderscheidt van de bullet-point logica van de meeste zakelijke presentaties.

Rust als presentatietechniek

Onrust is besmettelijk. Geregeld kom ik mensen tegen die onrustig zijn en denken dynamiek uit te stralen. Een spreker die heen en weer loopt zonder reden, die zijn aandacht verdeelt over de zaal zonder bewuste focus, die zijn structuur niet voor ogen heeft, wordt door het publiek gezien als onzeker. Dynamiek komt niet primair van beweging. Ze kan komen uit afwisseling in stemgebruik, oogcontact, een stilte op het juiste moment, intensiteit vanwege het belang van het onderwerp, vriendelijkheid. Een spreker die stabiel staat en zekerheid uitstraalt heeft gezag. De mimiek kan de drager van dynamiek zijn. Mick Jagger mag over het podium rennen. Jij ook, als je net zo oud bent als hij.

De ruimte als kans – kairos

Een podium is geen neutrale plaats. De inrichting van een zaal biedt randvoorwaarden: mogelijkheden en beperkingen. De meeste sprekers zien die niet en benutten die al helemaal niet. In dit geval hadden we een zaal met twee blokken met stoelen op negentig graden van elkaar en waar ze elkaar zouden raken stond het podium. Dat is een uitnodiging om de zaal in tweeën te verdelen, om beide kanten aan te spreken, om een gesprek te creëren in plaats van te zenden. Dat vraagt dat je de ruimte vooraf bekijkt en beslist hoe haar te gebruiken. Kairos geldt zeker ook voor de ruimte, ook die is een gelegenheid.

De dagvoorzitter als spiegel

Er was een onrustige dagvoorzitter die een spreker wegstuurt met de woorden ‘omwille van de tijd vraag ik je van het podium te gaan, Jan.’ Die trekt op de verkeerde manier de aandacht. De dagvoorzitter is de spil van de bijeenkomst, moet de sfeer verhogen, het tempo erin houden, maar vooral zorgen dat de aanwezigen zich op de inhoud kunnen richten. De rol vraagt gevoel voor gepastheid en een idee over de structuur van de bijeenkomst.

Ten slotte

Wat goede sprekers gemeen hebben kun je niet in een dag leren, maar wel bewust ontwikkelen. Ze weten waarom ze spreken en voor wie. Op het moment zelf — in de zaal, met die mensen, op dat moment. Dat geeft rust, richting en de vrijheid om te verleiden in plaats van te duwen. De rest — de structuur, de voorbeelden, de stiltes — komt daar als vanzelf bij. Een goede toespraak is een gesprek, zonder dat je naar interactie hengelt.

Geert-Jan Procee

Categorieën
blog

Tegenspraak in gemeenten

Tegenspraak is een lastig onderwerp binnen veel organisaties. Veel gemeenten worstelen ermee. Het Instituut voor Retorisch Leiderschap wil helpen er verder over door te denken.

A&O fonds Gemeenten heeft onderzoek gedaan hoe het gesteld is met tegenspraak, zagen we recent in Binnenlands Bestuur (21-2025).

Gemeenten vinden professionele tegenspraak bijzonder belangrijk, maar ze vinden het net zo lastig er vorm aan te geven.

En dat is niet vreemd, want professionele tegenspraak wordt gedefinieerd als het ‘respectvol inbrengen van andere perspectieven, vanuit vakmanschap en morele verantwoordelijkheid, binnen een cultuur van veiligheid.’ Ga er maar aanstaan!

Het onderzoek concludeert dan ook ‘in veel gemeenten is tegenspraak onvoldoende ingebed in cultuur, processen en vaardigheden. Het gebeurt vaak ad hoc en het hangt te veel af van individueel lef.’

Om te laten zien hoe geslaagde tegenspraak in de praktijk eruitziet, noemt A&O fonds Gemeenten de gemeente Diemen.

In het directieoverleg krijgt één deelnemer een belletje met de opdracht om kritische vragen te stellen als ‘advocaat van de duivel’. Mensen voelen zich daardoor veilig en gelegitimeerd om vragen te stellen. Waarom moeten we dit nu doen? Is het besluit wel goed belegd? Is het doel van dit voorstel helder?

Als dit een inspirerend voorbeeld is, dan vrezen we dat het er in gemeenteland niet goed voorstaat.

Het belletje is namelijk geen structurele oplossing om tegenspraak in de organisatie te borgen. Het is een hulpmiddel, een houvast om het individuele lef van ambtenaren te versterken.

Maar hier komt wel het kernpunt naar boven. Waarom voelt professionele tegenspraak zo moeilijk?

Het komt natuurlijk doordat tegenspraak altijd ook persoonlijk is. ‘Je moet maar durven’ is niet voor niets de ondertitel van het onderzoek. Tegenspraak is meer dan slechts onderdeel van het ambtelijk vakmanschap. Het gaat ook over je persoonlijke relatie met je werk, je collega’s, je leidinggevenden en vooral jezelf.

Dat verdient het om er veel dieper op te reflecteren. Daarbij kan het concept parrèsia heel vruchtbaar zijn. Het is een Grieks woord dat ruwweg te vertalen valt als vrijmoedig spreken. Je waarheid uitspreken, ook als dat moeilijk of zelfs gevaarlijk is. Hier kun je professioneel en persoonlijk natuurlijk nooit van elkaar scheiden.

De structurele oplossing zit hem dan ook niet aan de kant van de criticus, maar aan de kant van de ontvanger van de kritiek. Zoals Michel Foucault in zijn boek Moed tot Waarheid al schreef: “als democratische instituties niet in staat zijn plaats te bieden aan het waarheidspreken en parrèsia de rol te laten spelen die ze moet spelen, komt dat doordat er aan die instituties ‘ethisch onderscheid’ ontbreekt.”

Het is de moeite waard voor gemeenten om Foucaults boek te bestuderen. Een goed en volledig begrip van het belang van goed uitspreken voor individu, organisatie en maatschappij gaat dieper dan algemene noties over ambtelijk vakmanschap.

Pepijn Vemer en Geert-Jan Procee zijn oprichters van het Instituut voor Retorisch Leiderschap dat de principes van de klassieke retorica toepast op de praktijk van nu en zo van bekwame professionals betere leiders maakt. Dat betekent: overtuigend argumenteren, sterk presenteren en onbevangen spreken

Categorieën
Vijf Wijsheden GR2026

Korter is eigenlijk altijd beter

Wijsheid 4

Wijsheden voor de komende raadsperiode

Iedereen vindt dat hij zelf altijd korte, puntige bijdragen levert. En dat de rest veel te lang praat.

De meeste gemeenteraden hanteren spreektijden. Je krijgt een beperkte tijd om je bijdrage te doen. En daar is altijd discussie over. Voor anderen is het heel nuttig, want die praten altijd veel te lang. Maar ik zeg heel belangrijke dingen, dat mag je natuurlijk niet inperken. Cicero wist het al: wie niet in staat is zijn gedachten te ordenen vóór hij zijn mond opent, zal ze ook niet ordenen tijdens het spreken. Spreektijden lossen dat probleem niet op, hooguit maskeren ze het.

En hoe organiseer je het? Vaste spreektijden per vergadering, per agendapunt, iedereen evenveel tijd, grote fracties meer dan kleine?

Nu wil het geval dat ook vergaderingen zonder spreektijd op een gegeven moment klaar zijn. Echt nodig zijn spreektijden vaak niet. Ze worden ingevoerd omdat de voorzitters niet goed genoeg zijn. Die zouden de capaciteiten en het gezag moeten hebben om een vergadering in inhoudelijke banen te leiden zonder dat ze de zijwieltjes van een klok nodig hebben. Maar ja, dat is natuurlijk lekker makkelijk gezegd. Het valt beslist niet mee om gemeentelijke vergaderingen voor te zitten.

Maar wat kun je nu zelf doen als raadslid van goede wil? Je kunt in elk geval je eigen verhaal zo goed mogelijk maken. En dan blijkt dat je vaak helemaal niet zo veel tijd nodig hebt. Bijdragen duren vaak te lang doordat er twee hoofdproblemen bestaan: de spreker denkt hardop en ontwikkelt zijn punt nog tijdens het spreken, en de spreker heeft in de voorbereiding zijn verhaal onvoldoende geredigeerd en heeft daardoor een verhaal dat niet puntig genoeg is. Beide getuigt van een gebrek aan voorbereiding.

Een goede bijdrage zit best simpel in elkaar. Je zegt of je voor of tegen bent en in welke mate, je verwijst naar je ideologische achtergrond. Wat je waardeert in het voorstel, wat je anders zou willen zien en je geeft een voorbeeld.

De Partij voor de Samenleving is vooralsnog tegen dit voorstel, want wij vinden participatie belangrijk en we zien dat er te veel mensen zich niet gehoord voelen. Natuurlijk zouden wij liefst meer groen én meer parkeerplaatsen zien, maar dat kan niet. Als de wethouder kan aangeven hoe de buurtbewoners goed worden meegenomen in dit traject zullen we alsnog kunnen instemmen met het voorstel om enkele parkeerplaatsen op te heffen. Maar de mensen in de Musjesstraat hebben nu al moeite om hun auto te parkeren vanwege alle toeristen die niet naar een parkeergarage gaan.

Past binnen elke spreektijd.

En uiteindelijk is de tijd natuurlijk niet het belangrijkste. Het gaat erom dat je bijdrage duidelijk is, dat mensen je begrijpen en dat ze kunnen navertellen wat nou eigenlijk je punt is. Meestal is korter dan beter. En uiteindelijk is het beste verhaal het verhaal waar niets meer af kan zonder dat het aan kwaliteit inboet.

Dit is een aflevering uit onze reeks “Vijf Wijsheden voor Raadsleden”, gepubliceerd in de aanloop naar de komende gemeenteraadsverkiezingen.

GJP

Categorieën
Vijf Wijsheden GR2026

Je echte publiek zit thuis

Wijsheid 3

Wijsheden voor de komende raadsperiode

“Met publiek erbij wordt een debat een voorstelling.”

Petra de Koning schreef laatst (NRC, 3 februari 2026) over een commissiedebat in de Tweede Kamer dat ineens anders loopt wanneer er publiek bij is. Een Kamerlid dat de publieke tribune rechtstreeks aanspreekt, waarop álle aanwezigen opkijken en er ineens veel meer zin in hebben.

Het voelt misschien raar als je van buiten de politiek komt, maar het is heel normaal. Ook in de gemeentepolitiek. Onderling bespreek je de argumenten, de feiten en de overwegingen. Maar zoals bij Wijsheid 1 al was besproken, doe je dat niet om de andere kant te overtuigen. Een goed raadslid heeft de argumenten vooraf al besproken in een fractievergadering, met leden overlegd, of met belanghebbenden. Een goed raadslid heeft de waardenafweging gemaakt vóór die het debat instapt. Als je de mening van de medepolitici moet veranderen, dan doe je dat in de wandelgangen, in de gesprekken voor je de arena in gaat.

Als je elkaar toch vrijwel nooit kan overtuigen, wil dat niet zeggen dat het debat dan ook nutteloos is. Sterker nog: het is erg nodig. Alleen: je echte publiek, de persoon die je aanspreekt, is niet de persoon die tegenover je zit.

Je échte publiek zit op de publieke tribune. Of, vaker, thuis.

Het doel van het debat is dan ook om de inwoners van de gemeente jouw redenatie uit te leggen. Wat vind jij belangrijk? Waarom vind je dat belangrijk? En daar is een goed debat een uitstekend middel voor.

Wat is dan een goed debat? In onze ogen gaat dat verder dan alleen je standpunten noemen. Allereerst zorg je voor het duidelijk neerzetten van de keuze. En dan niet “akkoord met het voorstel” of “niet akkoord met het voorstel”, maar meer welke keuze erachter zit. Zijn er alternatieven? Is er een waardenconflict? Waar zit de afweging?

Je moet uiteraard een goede uitleg geven van je redenatie, en wanneer andere raadsleden hun verhaal vertellen plaats je goede interrupties om de verschillen bloot te leggen. Daarmee maak je je eigen verhaal niet alleen sterker, maar je toont je collega’s ook het respect dat zij verdienen.

Daarbij moet je verder kijken dan alleen je achterban, of je kiezers. Ook mensen die het niet primair met jou eens zijn moeten kunnen zien waarom je bepaalde keuzes hebt gemaakt. Wellicht kan je hen wel overtuigen om de volgende keer op je te stemmen. Maar zelfs als dat niet gaat, ben jij het verplicht aan de inwoners om je keuzes zichtbaar te maken en uit te leggen waarom je de keuze maakt .

Je bent immers misschien het hoogste bestuursorgaan, uiteindelijk ben je een dienaar van de gemeente.

Dit is een aflevering uit onze reeks “Vijf Wijsheden voor Raadsleden”, gepubliceerd in de aanloop naar de komende gemeenteraadsverkiezingen.

Categorieën
Vijf Wijsheden GR2026

Stel alleen vragen als je het antwoord al weet

Wijsheid 2

Wijsheden voor de komende raadsperiode

Ik sprak ooit een journalist die me vertelde in een interview alleen vragen te stellen waar die de antwoorden al van wist. Zo kan je vooraf bepalen waar de spanning in de antwoorden zitten, en waar de zwakke en sterke punten van de redenatie zitten. En dus welke vragen het meest opleveren voor je publiek. De rest laat je zitten.

En dat zou voor jou als raadslid straks net zo moeten gelden.

Als je als raadslid naar de bekende weg vraagt, geef je de wethouder vooral de ruimte om nog eens lekker opnieuw uit te pakken in het antwoord. Daar schieten jij en de inwoners van je gemeente weinig mee op.* Of je laat zien dat je eigenlijk de stukken niet voldoende hebt gelezen, want anders had je het antwoord vaak al geweten.

Dat betekent niet dat je dingen die je niet weet maar over moet slaan. Het betekent vooral dat je de vragen vóór de vergadering beantwoord moet proberen te krijgen. Bel eens met de griffie. Praat eens met betrokkenen. Probeer het voorstel echt te begrijpen.

De interessantste vragen zijn natuurlijk die over het waardeconflict dat in een voorstel verstopt zit. Maar om dat goed te bespreken moet je die vooraf wel kennen. Als je daar pas tijdens de vergadering achter moet komen, komt er nooit een goede discussie.

Naast het waardeconflict in een voorstel zijn er nog een aantal andere vragen die je moet beantwoorden, voor je aan de vergadering mee gaat doen.

Ten eerste is er de vraag wat nu precies het probleem is dat hier moet worden opgelost. Hoe ernstig is dat probleem? Moeten we überhaupt iets aan dit probleem doen? Immers, elke keuze is (impliciet) ook een keuze om iets anders niet te doen. We kunnen onze tijd, ons geld, maar één keer uitgeven.

Dan is er nog de voorgestelde oplossing. Hoe effectief is die oplossing? Hoe haalbaar is die oplossing? En wat zijn de neveneffecten van deze oplossing?

En uiteindelijk zijn er natuurlijk altijd alternatieve oplossingen te bedenken. Die misschien veel effectiever zijn, of makkelijker haalbaar.

Als je op al deze vragen antwoorden hebt, dan kan je ook heel snel bepalen waar de spanning zit tussen jouw standpunt en het voorstel.

Vind jij het probleem niet ernstig? Dan vraag je daar naar.

Ben je het eens met de probleemanalyse, maar zie je problemen in de effectiviteit van de oplossing? Dan is dat je focus.

Sommigen onder jullie herkennen natuurlijk meteen de standaardgeschilpunten. Een model dat heel mooi de belangrijkste argumenten ordent. Wij werken er zelf graag mee, en dan zijn we een heel stuk langer bezig dan een paar regels. Neem contact op om dat ook eens met ons te bespreken. Of lees eens dit voortreffelijke overzicht.

*: Tenzij je juist de wethouder die ruimte wilt geven, maar dan nog: dan ken je het antwoord op je vraag al.

Dit is een aflevering uit onze reeks “Vijf Wijsheden voor Raadsleden”, gepubliceerd in de aanloop naar de komende gemeenteraadsverkiezingen.

Categorieën
Vijf Wijsheden GR2026

Overtuigen doe je (vrijwel nooit) in de Raadszaal

Wijsheid 1

Wijsheden voor de komende raadsperiode

Het zit in je als politicus: je wilt overtuigen. Jij hebt een wereldbeeld en dat wil je uitdragen. En zo je gemeente inrichten. Daar ben je raadslid voor geworden.

Het zit in je als politicus: je wilt overtuigen. Jij hebt een wereldbeeld en dat wil je uitdragen. En zo je gemeente inrichten. Daar ben je raadslid voor geworden. Het is een taak, vol van uitdagingen en mogelijkheden om echte verandering te brengen.

Het kan dan ook erg frustrerend zijn als je merkt dat je argumenten, hoe goed ze ook zijn, niet doordringen. De andere fracties blijven bij het standpunt dat ze hadden toen de vergadering begon. Al je retorische vaardigheden ten spijt: het lukt je niet ze te overtuigen van jouw kant. Het lijkt alsof je spreekt tegen een muur, en dat kan ontmoedigend zijn.

In de praktijk laat vrijwel niemand zich pas overtuigen in de gemeenteraadszaal. De meningsvorming is al in de weken en dagen gebeurt voorafgaand aan de raadsvergadering. Tijdens de fractievergadering, het coalitieoverleg of misschien zelfs al bij het vastleggen van het verkiezingsprogramma. De beslissingen zijn vaak al genomen voordat je de raadszaal betreedt.

Bij het werk van een raadslid hoort dan ook dat je contact legt met je mederaadsleden. Dat je met ze belt, e-mailt, koffie drinkt. Daar heb je nog de kans om te overtuigen.

Als je wacht tot de raadsvergadering ben je over het algemeen te laat.

De raadszaal is slechts het podium waar de keuzes van de raadsleden worden gepresenteerd, niet waar ze worden genomen. De echte werkzaamheden vinden plaats in de achtergrond, in de gesprekken en overleggen die plaatsvinden voordat je de vergadering betreedt.

Toch zit er een kanttekening in deze observatie, want het komt wel degelijk voor dat je mensen kan overtuigen in de Raadszaal. Sterker nog, in dat soort geval móet je overtuigen in de Raadszaal.

Het zijn eigenlijk altijd momenten dat het politiek extra spannend is. Er komt nieuwe informatie binnen die daarvoor nog niet bekend was, bijvoorbeeld door een inspreker, of een raadslid die ergens mee komt en dat nog niet heeft gedeeld vooraf. Of het gaat om de politieke toekomst van een collegelid. Wie steunt een motie van afkeuring, of wantrouwen? Wie steunt hem niet?

In dat soort gevallen speelt de emotie net zo hard mee als de ratio. In de meeste gevallen zelfs meer.

Dit is een aflevering uit onze reeks “Vijf Wijsheden voor Raadsleden”, gepubliceerd in de aanloop naar de komende gemeenteraadsverkiezingen.

Categorieën
blog

Omgevingsgevoeligheid

Enige tijd geleden was ik te gast bij een middag met een bijzonder interessant onderwerp. Een onderwerp dat mij persoonlijk erg aangaat, met sprekers die er verstand van hadden. Ik had er dan ook veel zin in.

En toch kon het me maar moeilijk boeien. Zo moeilijk dat ik ben gaan analyseren waarom, in plaats van luisteren naar de verhalen. En dat is nooit een goed teken. Net als wanneer iemand “eh’s” gaat tellen.

Naast de gebruikelijke miskleunen die je vaker ziet,

  • Dia’s helemaal vol met tekst
  • Die vervolgens voorlezen met de rug naar het publiek
  • Jargon gebruiken en niet uitleggen
  • Een reeks losse mededelingen zonder doel of structuur

was mijn conclusie uiteindelijk dat het vooral aan de locatie lag.

Ten eerste was de locatie gewoonweg veel te lawaaiierig, en gevuld met afleiding. Binnenin het gebouw waar het werd georganiseerd werd hoorbaar gewerkt aan een verbouwing. Daarnaast liepen er mensen langs die blijkbaar gewend zijn dat er op deze locatie iets van deze aard gebeurt. Tenminste, niemand zette de conversatie even op pauze tot ze buiten gehoorafstand waren.

Bovendien waren de boxen voor de geluidsversterking verkeerd neergezet. Zodra een spreker iets naar het publiek toe kwam, begon het geluid rond te zingen. Dat gebeurde dus ook als de microfoon even de zaal in ging als er een vraag gesteld moest worden.

Wat ik, met mijn zeer gemiddelde lengte, eigenlijk nooit zo had gerealiseerd was hoe vervelend niet-in-hoogte-verstelbare katheders zijn. Eén van de sprekers was een stuk kleiner dan alle anderen, en die kwam bijna niet boven het spreekgestoelte uit. Deze had een prima verhaal uitgewerkt op papier, maar moest steeds naast het katheder gaan staan om het publiek aan te kijken, en af en toe erachter kruipen om dan met gestrekte nek te kunnen lezen.

Dat kan je als organisatie beter oplossen. Sterker nog, dat moet je als organisatie beter oplossen. Uiteraard zijn er regelmatig plekken die niet ideaal zijn voor dit soort bijeenkomsten. Ik heb een paar keer een toespraak gehouden voor Dodenherdenking in de open lucht. En een paar keer een gelegenheidstoespraak tijdens een werkbezoek. Het was niet ideaal, maar er was vaak goed nagedacht hoe het werd ingericht.

Als je een symposium organiseert, of een hele middag, en dit blijkbaar vaker doet, dan hoor je daar goed over na te denken. De sprekers bieden hun tijd en expertise aan aan jou en je publiek. Zij verdienen het beste podium geven dat je ze kan bieden.

Een volgende keer zal ik eens schrijven over wat jij als spreker kan doen om het podium naar jouw hand te zetten.

Pepijn Vemer

P.S.: De vaagtaalaward ging deze dag naar de uitspraak “Sommige gebieden zijn gevoelig; sommige gebieden zijn niet gevoelig”. Zonder uit te leggen welke gebieden wat zijn, en hoe dat uitmaakt…

Categorieën
blog

De Johan Cruijff van de 21e eeuw

“Ik kies altijd voor de groep, want daarmee kies je altijd voor jezelf.”

Ik ben al jaren, sinds Portugal 2004, een groot fan van Wie is de Mol. Dit jaar wordt er een jubileumseizoen uitgezonden, dat zich weer in Portugal afspeelt.

(Ik hoop dat ze icoon George nog laten terugkomen in de finale zaterdag.)

Eén van de deelnemers dit jaar is Nathan Rutjes, een oud-voetballer van Sparta en Roda JC, bekend om zijn mat en grote grijns. De eerste keer dat hij meedeed, in 2020, was hij al snel een publiekslieveling vanwege zijn groepsmentaliteit en positivisme. (“Als ik voor het team kan kiezen in plaats van voor mezelf, zal ik altijd voor het team kiezen” en “Ik denk dat ik een klein wereldrecord heb neergezet.”)

En ook dit jaar komt hij weer een paar keer prachtig uit de hoek.  En dan vooral gecombineerd met altijd een brede grijns.

“Ik neem iedereen mee en sluit niemand uit.”

“Als je mij zou vragen of ik het nog een keer zou doen, dan zou ik echt … ja zeggen.”

“Mijn spel is mensen kunnen vertrouwen.”

En, nadat hij een bal heeft geput vanaf 3 meter, gaat hij niet meteen terug naar de presentator voor zijn beloning, maar pakt uitgebreid eerst een succesmomentje.*

“Als je scoort, moet je dat altijd vieren.”

Alsof hij ze uit zijn mouw schudt, deze prachtige one-liners. Ik ben er jaloers op. Ik benoem hiermee Nathan Rutjes de Johan Cruijff van de 21e eeuw.

(Met Sahil Amar Aïssa overigens een hele goede tweede.)

In de retorica heet dit een sententie, een kernachtige spreuk, vaak met een ethische inhoud, of letterlijk een volzin. De belangrijkste eis is dat hij goed te onthouden is. Oorspronkelijk komt het van het Latijnse sententia, wat ‘mening’ of ‘gevoel’ betekent. Politici zijn vaak expres op zoek naar (bij voorkeur mooie) oneliners om in hun verhaal te stoppen. Die worden snel opgepakt door de pers, zo is de gedachte.

Het is vooral een kunst om ze niet gemaakt te laten voelen. “Een slechte vrede is erger dan oorlog”, zei Tacitus. Het voelt alsof het ter plekke was bedacht, maar ondertussen is het de samenvatting van het hele verhaal. Of “In gunstige tijden heb je vele vrienden, maar in ongunstige ben je alleen” van Ovidius.

Een aantal modernere varianten zijn bijvoorbeeld “Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg” (Pim Fortuyn), “Ik ben niet links, ik ben niet rechts, maar ik ben rechtdoorzee” (Rita Verdonk) en “We moesten een meloen doorslikken” (Gert jan Segers). En dan heb je natuurlijk bijna alles dat tegenwoordig aan Cruijff, Churchill en Einstein wordt toegeschreven.

Ter afsluiting nog een persoonlijke lievelingssententie:

“You can never be overdressed or overeducated.” (Oscar Wilde)

*: ja, ik weet dat hij mogelijk De Mol is.

Pepijn Vemer

Categorieën
blog

Wetenschappelijke presentaties: een vak apart

Een goede wetenschappelijke presentatie is een cadeau voor de wereld

Met een vleugje Goethe

Het is de week van ISPOR Europe, het jaarlijkse congres waar ik in de tijd dat ik bij de universiteit werkte, graag naar toe ging. Net als andere wetenschapscongressen is het een verzameling van andere wetenschappers, collega’s, vrienden van over de hele wereld. De laatste ontwikkelingen worden gedeeld op een beursvloer, bij borrels (Hollandse avond!) en in toevallige ontmoetingen.

Maar vooral gaat het om het delen van het laatste onderzoek. In de vorm van posters, podium presentaties en panel discussies. Daar gaat heel veel goed, maar ik heb ook heel veel fout zien gaan in die jaren. Een panel waar de voorzitter de namen van de deelnemers niet kan uitspreken. Een pas gepromoveerde doctor die op 12 minuten net de inleiding klaar had van diens 15 minuten praatje zat, en beledigd was dat die werd afgekapt, “want het is nu tijd voor vragen”. Een poster waar men alles (en dan bedoel ik ook ALLES) op kwijt wilde, zodat de puntgrootte kleiner was dan de printer blijkbaar aankon. Een spreker die geen woord Engels kon en dus het volledige praatje fonetisch had uitgeschreven en daarna verrast om zich heen keek toen er een vraag werd gesteld.

Laten we het vooral hebben over wat wel goed gaat

Laten we het vooral hebben over wat wel goed gaat, want een goede wetenschappelijke presentatie is een cadeau voor de wereld. Resultaten worden niet alleen geponeerd, maar bevochten, getest, geproefd, ontleed in de discussie onderling. Wat overeind blijft staan, ideeën waar de wereld beter van worden, worden verspreid. En het aanwezige publiek krijgt zelf nieuwe inspiratie.

Ik heb diverse goede voorbeelden gezien. Een hoogleraar die de eerste minuten vooral gebruikte om diens collega’s en hun belangrijke werk in het zonnetje te zetten. Op deze manier werd de “methode”-sectie, een essentieel onderdeel, aangekleed met meer dan alleen de “koude” feiten. De zaal ging beter luisteren, en de medewerkers liepen trots de zaal uit. Uiteindelijk werden zij expliciet naar voren geschoven om hun expertise. Een prachtvoorbeeld van “geef het door” je positie van macht en gezag inzetten, niet voor jezelf, maar voor de mensen die het nodig hebben.

Ik kan me ook herinneren dat iemand de expliciete keuze had gemaakt om maar één grafiek te laten zien en die helemaal uit te diepen. Ik snap heel erg de neiging om veel te willen laten zien, maar

In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister

zoals Goethe al zei. Je krijgt een vaste hoeveelheid tijd, en dan kan je maar beter weinig resultaten goed uitdiepen in plaats van veel resultaten nauwelijks. Of nog erger: of de grens van tijd gaan. In de discussie was duidelijk dat iedereen snapte dat er meer was te vertellen, en daar zat niemand mee. Als je maar duidelijk binnen de afgesproken grenzen blijft. Want zoals het bovenstaande citaat eigenlijk verder gaat:

“Und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben.

Een laatste mooi voorbeeld dat ik wil delen is die keer dat iemand me stralend vertelde dat de panelvoorzitter een week van tevoren had gebeld met een aantal simpele vragen:

  • “Hoe spreek ik je naam goed uit?”,
  • “Hoe wil je dat ik je voorstel?” en
  • “Is er een vraag die je graag wel of juist niet gesteld wilt hebben?”

Het is een ontzettend kleine moeite, en goede dagvoorzitters doen dat vaker, maar op een wetenschappelijk congres komt het niet heel vaak voor. Daar zijn de panelvoorzitters vaak ook wetenschappers die op het congres zijn, en geen professionals op dit gebied.

Een vak apart

Presentaties van wetenschappelijke resultaten zijn een vak apart. Wil je daar eens meer over weten, neem contact op en we plannen koffie/thee/spa rood in.

Pepijn Vemer

Categorieën
blog

Wetenschapper: bevrijd je van de academische stijl!

Toen ik jaren geleden begon op een universiteit moest ik heel erg wennen aan de academische manier van communiceren. Na jaren als student in debatkringen te hebben verkeerd en daarna bij een adviesbureau te hebben gewerkt, was de vaste vorm en onopgesmukte manier van spreken, presenteren en schrijven een kleine schok.

Ik snap de reden. Het is je taak in de wetenschap om betrouwbare kennis over de wereld te vergaren door middel van systematisch onderzoek. En dan kan het voelen dat vrijere vormen en het opleuken van teksten de “naakte waarheid” juist verstopt. Maar daardoor kwam ik vaak artikelen tegen die onleesbaar waren, presentaties die slaapverwekkend waren en posters die vooral een brij van woorden en getallen waren.

Het kleine beetje rebelse dat ik in me heb kwam bij mij naar boven toen ik op een bepaald moment een poster wilde maken. Ik had bedacht om het belangrijkste erop te zetten, namelijk de aanleiding, de conclusie en de geweldig mooie grafiek die ik had gemaakt. Onderaan had ik toegevoegd “methoden en data staan uitgebreid beschreven op de achterkant van de handout”. Want een stapel geprinte versies had iedereen altijd bij zich.

Maar ik werd teruggefloten. “Alles moet op de poster staan”.

Waarom eigenlijk?

In een eerdere blog had ik het al een keer over de noodzaak om goed na te denken over de denkvoorsprong die je hebt op je publiek.

Een goede anekdote, een grap, een leuk plaatje. Het kan allemaal helpen om je publiek bij je te houden en te zorgen dat zij je verhaal volgen. In elk vakgebied zijn er wel wetenschappers die het wel kunnen. Ze doen op een geweldige manier hun verhaal, waar naar geluisterd wordt. Zolang ze de inhoud maar centraal zetten.

Een drietal tips voor een betere presentatie in academische setting:

  • Begin met de inhoud;
  • Probeer iets “anders” te doen; en
  • Oefen klein.

Begin met de inhoud

De inhoud is voor wetenschappelijke communicatie het allerbelangrijkste. Daar begint het mee. Zorg dat je heel duidelijk voor jezelf de kernboodschap hebt. Schrijf die op voor jezelf, zodat je regelmatig kan terugverwijzen. Want ik heb veel artikelen gelezen, die volgens de “wetten van de vorm” klopten, maar waar ik aan het einde niet weet waar het nu om ging. Deze schrijvers hebben het formulier ingevuld, geen artikel geschreven.

Wat je niet moet doen is beginnen met een slide deck in powerpoint te maken. Tenzij je expliciet jezelf daarna er van weet los te maken, hebben mensen de neiging om de powerpoint het verhaal te maken. Terwijl de slides je verhaal moet ondersteunen. Het is niet je verhaal, het is de stellage waarbinnen je het verhaal verteld.

Durf ook keuzes te maken. Ja, het kan best zijn dat jij twee maanden bezig bent geweest met data opschonen, maar meer dan een zin hoeft daar niet aan gewijd te worden. Hoe groot het ook is voor jou, voor het publiek is het een technisch detail. Bekijk dus alles dat je vertelt of je dat doet omdat jij het belangrijk vindt, of omdat het publiek het nodig heeft om de resultaten te duiden.

Mensen hebben ook de neiging om extra moeilijke woorden te gebruiken. Daarmee denken ze slimmer over te komen. Of op z’n minst proberen ze te laten zien dat zij ook in “het wereldje” thuishoren. Jargon als toegangsbewijs. Als het niet nodig is voor de inhoud: weglaten.

Probeer iets “anders” te doen

Om gelezen, gehoord of gezien te worden moet je opvallen. Veel academische artikelen hebben daarom al “leuke” titels. Mijn proefschrift staat er vol mee: “The Road not Taken” (aanzienlijk minder mensen dan ik had gehoopt snapten dat dit een verwijzing naar een gedicht was), “Largely ignored” en “Crossing borders”.

Dat is een leuk begin, maar je hebt vaak wat meer nodig. Een persoonlijke favoriet, vanwege de briljante opzet en conclusie, gaat over het Beatles nummer “When I’m 64”: door naar dat nummer te luisteren wordt je eigen ervaren leeftijd lager (Nee, echt waar: statistisch significant enzo).

Simmons, J. P., Nelson, L. D., & Simonsohn, U. (2011). False-positive psychology: Undisclosed flexibility in data collection and analysis allows presenting anything as significant. Psychological Science, 22(11), 1359–1366.

Mooie plaatjes helpen altijd, zeker bij een presentatie. Grafieken zijn meer dan alleen “data in visuele vorm”, daar kan zo veel meer mee. Lees bijvoorbeeld eens het boek “Data Visualisation” van Andy Kirk.

Neem de tijd om een analogie te vinden om een groot concept te vertellen. Ik heb ooit data synthese (het combineren en analyseren van diverse databronnen) uitgelegd met de Boeddhistische parabel van de blinde mannen en een olifant.

Of gooi er een grap in. Ik ben er van overtuigd dat een prijs voor de beste presentatie die ik ooit heb ontvangen vooral te danken is aan 1 foto van een breed glimlachende, met yoghurt besmeurde dochter.

Je hebt maar beperkt tijd en ruimte. Maximaal 5,000 woorden. Maximaal 10 minuten, plus vragen. Maximaal 1 A0 poster. Daar moet je de aandacht mee pakken, en vasthouden.

Oefen klein

Veel academici kiezen voor het vak omdat ze graag met die inhoud bezig zijn. Maar een minderheid vind het leuk om college te geven, presentaties te doen, of op een andere manier “weg” te komen van het bureau. Terwijl dat een essentieel onderdeel is van het academische leven. Je wil niet alleen kennis vergaren, maar die moet ook de wereld in.

En hoe moeilijk dat ook is, het kan beter. Door goede begeleiding, maar vooral door het vaker te doen. Schrik dus niet terug voor een lunchlezing: alle mensen daar zijn ook ooit begonnen waar jij was. Ze eten je niet op. Geef je presentatie eventueel aan je kamergenoot en ontvang feedback. Gebruik die feedback.

Academische communicatie kan een stuk beter. Dus wetenschappers: bevrijd je van de academische conventies. Als je tenminste gehoord wil worden.

Pepijn Vemer