Categorieën
blog

Tegenspraak in gemeenten

Tegenspraak is een lastig onderwerp binnen veel organisaties. Veel gemeenten worstelen ermee. Het Instituut voor Retorisch Leiderschap wil helpen er verder over door te denken.

A&O fonds Gemeenten heeft onderzoek gedaan hoe het gesteld is met tegenspraak, zagen we recent in Binnenlands Bestuur (21-2025).

Gemeenten vinden professionele tegenspraak bijzonder belangrijk, maar ze vinden het net zo lastig er vorm aan te geven.

En dat is niet vreemd, want professionele tegenspraak wordt gedefinieerd als het ‘respectvol inbrengen van andere perspectieven, vanuit vakmanschap en morele verantwoordelijkheid, binnen een cultuur van veiligheid.’ Ga er maar aanstaan!

Het onderzoek concludeert dan ook ‘in veel gemeenten is tegenspraak onvoldoende ingebed in cultuur, processen en vaardigheden. Het gebeurt vaak ad hoc en het hangt te veel af van individueel lef.’

Om te laten zien hoe geslaagde tegenspraak in de praktijk eruitziet, noemt A&O fonds Gemeenten de gemeente Diemen.

In het directieoverleg krijgt één deelnemer een belletje met de opdracht om kritische vragen te stellen als ‘advocaat van de duivel’. Mensen voelen zich daardoor veilig en gelegitimeerd om vragen te stellen. Waarom moeten we dit nu doen? Is het besluit wel goed belegd? Is het doel van dit voorstel helder?

Als dit een inspirerend voorbeeld is, dan vrezen we dat het er in gemeenteland niet goed voorstaat.

Het belletje is namelijk geen structurele oplossing om tegenspraak in de organisatie te borgen. Het is een hulpmiddel, een houvast om het individuele lef van ambtenaren te versterken.

Maar hier komt wel het kernpunt naar boven. Waarom voelt professionele tegenspraak zo moeilijk?

Het komt natuurlijk doordat tegenspraak altijd ook persoonlijk is. ‘Je moet maar durven’ is niet voor niets de ondertitel van het onderzoek. Tegenspraak is meer dan slechts onderdeel van het ambtelijk vakmanschap. Het gaat ook over je persoonlijke relatie met je werk, je collega’s, je leidinggevenden en vooral jezelf.

Dat verdient het om er veel dieper op te reflecteren. Daarbij kan het concept parrèsia heel vruchtbaar zijn. Het is een Grieks woord dat ruwweg te vertalen valt als vrijmoedig spreken. Je waarheid uitspreken, ook als dat moeilijk of zelfs gevaarlijk is. Hier kun je professioneel en persoonlijk natuurlijk nooit van elkaar scheiden.

De structurele oplossing zit hem dan ook niet aan de kant van de criticus, maar aan de kant van de ontvanger van de kritiek. Zoals Michel Foucault in zijn boek Moed tot Waarheid al schreef: “als democratische instituties niet in staat zijn plaats te bieden aan het waarheidspreken en parrèsia de rol te laten spelen die ze moet spelen, komt dat doordat er aan die instituties ‘ethisch onderscheid’ ontbreekt.”

Het is de moeite waard voor gemeenten om Foucaults boek te bestuderen. Een goed en volledig begrip van het belang van goed uitspreken voor individu, organisatie en maatschappij gaat dieper dan algemene noties over ambtelijk vakmanschap.

Pepijn Vemer en Geert-Jan Procee zijn oprichters van het Instituut voor Retorisch Leiderschap dat de principes van de klassieke retorica toepast op de praktijk van nu en zo van bekwame professionals betere leiders maakt. Dat betekent: overtuigend argumenteren, sterk presenteren en onbevangen spreken

Categorieën
blog

Omgevingsgevoeligheid

Enige tijd geleden was ik te gast bij een middag met een bijzonder interessant onderwerp. Een onderwerp dat mij persoonlijk erg aangaat, met sprekers die er verstand van hadden. Ik had er dan ook veel zin in.

En toch kon het me maar moeilijk boeien. Zo moeilijk dat ik ben gaan analyseren waarom, in plaats van luisteren naar de verhalen. En dat is nooit een goed teken. Net als wanneer iemand “eh’s” gaat tellen.

Naast de gebruikelijke miskleunen die je vaker ziet,

  • Dia’s helemaal vol met tekst
  • Die vervolgens voorlezen met de rug naar het publiek
  • Jargon gebruiken en niet uitleggen
  • Een reeks losse mededelingen zonder doel of structuur

was mijn conclusie uiteindelijk dat het vooral aan de locatie lag.

Ten eerste was de locatie gewoonweg veel te lawaaiierig, en gevuld met afleiding. Binnenin het gebouw waar het werd georganiseerd werd hoorbaar gewerkt aan een verbouwing. Daarnaast liepen er mensen langs die blijkbaar gewend zijn dat er op deze locatie iets van deze aard gebeurt. Tenminste, niemand zette de conversatie even op pauze tot ze buiten gehoorafstand waren.

Bovendien waren de boxen voor de geluidsversterking verkeerd neergezet. Zodra een spreker iets naar het publiek toe kwam, begon het geluid rond te zingen. Dat gebeurde dus ook als de microfoon even de zaal in ging als er een vraag gesteld moest worden.

Wat ik, met mijn zeer gemiddelde lengte, eigenlijk nooit zo had gerealiseerd was hoe vervelend niet-in-hoogte-verstelbare katheders zijn. Eén van de sprekers was een stuk kleiner dan alle anderen, en die kwam bijna niet boven het spreekgestoelte uit. Deze had een prima verhaal uitgewerkt op papier, maar moest steeds naast het katheder gaan staan om het publiek aan te kijken, en af en toe erachter kruipen om dan met gestrekte nek te kunnen lezen.

Dat kan je als organisatie beter oplossen. Sterker nog, dat moet je als organisatie beter oplossen. Uiteraard zijn er regelmatig plekken die niet ideaal zijn voor dit soort bijeenkomsten. Ik heb een paar keer een toespraak gehouden voor Dodenherdenking in de open lucht. En een paar keer een gelegenheidstoespraak tijdens een werkbezoek. Het was niet ideaal, maar er was vaak goed nagedacht hoe het werd ingericht.

Als je een symposium organiseert, of een hele middag, en dit blijkbaar vaker doet, dan hoor je daar goed over na te denken. De sprekers bieden hun tijd en expertise aan aan jou en je publiek. Zij verdienen het beste podium geven dat je ze kan bieden.

Een volgende keer zal ik eens schrijven over wat jij als spreker kan doen om het podium naar jouw hand te zetten.

Pepijn Vemer

P.S.: De vaagtaalaward ging deze dag naar de uitspraak “Sommige gebieden zijn gevoelig; sommige gebieden zijn niet gevoelig”. Zonder uit te leggen welke gebieden wat zijn, en hoe dat uitmaakt…

Categorieën
blog

De Johan Cruijff van de 21e eeuw

“Ik kies altijd voor de groep, want daarmee kies je altijd voor jezelf.”

Ik ben al jaren, sinds Portugal 2004, een groot fan van Wie is de Mol. Dit jaar wordt er een jubileumseizoen uitgezonden, dat zich weer in Portugal afspeelt.

(Ik hoop dat ze icoon George nog laten terugkomen in de finale zaterdag.)

Eén van de deelnemers dit jaar is Nathan Rutjes, een oud-voetballer van Sparta en Roda JC, bekend om zijn mat en grote grijns. De eerste keer dat hij meedeed, in 2020, was hij al snel een publiekslieveling vanwege zijn groepsmentaliteit en positivisme. (“Als ik voor het team kan kiezen in plaats van voor mezelf, zal ik altijd voor het team kiezen” en “Ik denk dat ik een klein wereldrecord heb neergezet.”)

En ook dit jaar komt hij weer een paar keer prachtig uit de hoek.  En dan vooral gecombineerd met altijd een brede grijns.

“Ik neem iedereen mee en sluit niemand uit.”

“Als je mij zou vragen of ik het nog een keer zou doen, dan zou ik echt … ja zeggen.”

“Mijn spel is mensen kunnen vertrouwen.”

En, nadat hij een bal heeft geput vanaf 3 meter, gaat hij niet meteen terug naar de presentator voor zijn beloning, maar pakt uitgebreid eerst een succesmomentje.*

“Als je scoort, moet je dat altijd vieren.”

Alsof hij ze uit zijn mouw schudt, deze prachtige one-liners. Ik ben er jaloers op. Ik benoem hiermee Nathan Rutjes de Johan Cruijff van de 21e eeuw.

(Met Sahil Amar Aïssa overigens een hele goede tweede.)

In de retorica heet dit een sententie, een kernachtige spreuk, vaak met een ethische inhoud, of letterlijk een volzin. De belangrijkste eis is dat hij goed te onthouden is. Oorspronkelijk komt het van het Latijnse sententia, wat ‘mening’ of ‘gevoel’ betekent. Politici zijn vaak expres op zoek naar (bij voorkeur mooie) oneliners om in hun verhaal te stoppen. Die worden snel opgepakt door de pers, zo is de gedachte.

Het is vooral een kunst om ze niet gemaakt te laten voelen. “Een slechte vrede is erger dan oorlog”, zei Tacitus. Het voelt alsof het ter plekke was bedacht, maar ondertussen is het de samenvatting van het hele verhaal. Of “In gunstige tijden heb je vele vrienden, maar in ongunstige ben je alleen” van Ovidius.

Een aantal modernere varianten zijn bijvoorbeeld “Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg” (Pim Fortuyn), “Ik ben niet links, ik ben niet rechts, maar ik ben rechtdoorzee” (Rita Verdonk) en “We moesten een meloen doorslikken” (Gert jan Segers). En dan heb je natuurlijk bijna alles dat tegenwoordig aan Cruijff, Churchill en Einstein wordt toegeschreven.

Ter afsluiting nog een persoonlijke lievelingssententie:

“You can never be overdressed or overeducated.” (Oscar Wilde)

*: ja, ik weet dat hij mogelijk De Mol is.

Pepijn Vemer

Categorieën
blog

Wetenschappelijke presentaties: een vak apart

Een goede wetenschappelijke presentatie is een cadeau voor de wereld

Met een vleugje Goethe

Het is de week van ISPOR Europe, het jaarlijkse congres waar ik in de tijd dat ik bij de universiteit werkte, graag naar toe ging. Net als andere wetenschapscongressen is het een verzameling van andere wetenschappers, collega’s, vrienden van over de hele wereld. De laatste ontwikkelingen worden gedeeld op een beursvloer, bij borrels (Hollandse avond!) en in toevallige ontmoetingen.

Maar vooral gaat het om het delen van het laatste onderzoek. In de vorm van posters, podium presentaties en panel discussies. Daar gaat heel veel goed, maar ik heb ook heel veel fout zien gaan in die jaren. Een panel waar de voorzitter de namen van de deelnemers niet kan uitspreken. Een pas gepromoveerde doctor die op 12 minuten net de inleiding klaar had van diens 15 minuten praatje zat, en beledigd was dat die werd afgekapt, “want het is nu tijd voor vragen”. Een poster waar men alles (en dan bedoel ik ook ALLES) op kwijt wilde, zodat de puntgrootte kleiner was dan de printer blijkbaar aankon. Een spreker die geen woord Engels kon en dus het volledige praatje fonetisch had uitgeschreven en daarna verrast om zich heen keek toen er een vraag werd gesteld.

Laten we het vooral hebben over wat wel goed gaat

Laten we het vooral hebben over wat wel goed gaat, want een goede wetenschappelijke presentatie is een cadeau voor de wereld. Resultaten worden niet alleen geponeerd, maar bevochten, getest, geproefd, ontleed in de discussie onderling. Wat overeind blijft staan, ideeën waar de wereld beter van worden, worden verspreid. En het aanwezige publiek krijgt zelf nieuwe inspiratie.

Ik heb diverse goede voorbeelden gezien. Een hoogleraar die de eerste minuten vooral gebruikte om diens collega’s en hun belangrijke werk in het zonnetje te zetten. Op deze manier werd de “methode”-sectie, een essentieel onderdeel, aangekleed met meer dan alleen de “koude” feiten. De zaal ging beter luisteren, en de medewerkers liepen trots de zaal uit. Uiteindelijk werden zij expliciet naar voren geschoven om hun expertise. Een prachtvoorbeeld van “geef het door” je positie van macht en gezag inzetten, niet voor jezelf, maar voor de mensen die het nodig hebben.

Ik kan me ook herinneren dat iemand de expliciete keuze had gemaakt om maar één grafiek te laten zien en die helemaal uit te diepen. Ik snap heel erg de neiging om veel te willen laten zien, maar

In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister

zoals Goethe al zei. Je krijgt een vaste hoeveelheid tijd, en dan kan je maar beter weinig resultaten goed uitdiepen in plaats van veel resultaten nauwelijks. Of nog erger: of de grens van tijd gaan. In de discussie was duidelijk dat iedereen snapte dat er meer was te vertellen, en daar zat niemand mee. Als je maar duidelijk binnen de afgesproken grenzen blijft. Want zoals het bovenstaande citaat eigenlijk verder gaat:

“Und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben.

Een laatste mooi voorbeeld dat ik wil delen is die keer dat iemand me stralend vertelde dat de panelvoorzitter een week van tevoren had gebeld met een aantal simpele vragen:

  • “Hoe spreek ik je naam goed uit?”,
  • “Hoe wil je dat ik je voorstel?” en
  • “Is er een vraag die je graag wel of juist niet gesteld wilt hebben?”

Het is een ontzettend kleine moeite, en goede dagvoorzitters doen dat vaker, maar op een wetenschappelijk congres komt het niet heel vaak voor. Daar zijn de panelvoorzitters vaak ook wetenschappers die op het congres zijn, en geen professionals op dit gebied.

Een vak apart

Presentaties van wetenschappelijke resultaten zijn een vak apart. Wil je daar eens meer over weten, neem contact op en we plannen koffie/thee/spa rood in.

Pepijn Vemer

Categorieën
blog

Wetenschapper: bevrijd je van de academische stijl!

Toen ik jaren geleden begon op een universiteit moest ik heel erg wennen aan de academische manier van communiceren. Na jaren als student in debatkringen te hebben verkeerd en daarna bij een adviesbureau te hebben gewerkt, was de vaste vorm en onopgesmukte manier van spreken, presenteren en schrijven een kleine schok.

Ik snap de reden. Het is je taak in de wetenschap om betrouwbare kennis over de wereld te vergaren door middel van systematisch onderzoek. En dan kan het voelen dat vrijere vormen en het opleuken van teksten de “naakte waarheid” juist verstopt. Maar daardoor kwam ik vaak artikelen tegen die onleesbaar waren, presentaties die slaapverwekkend waren en posters die vooral een brij van woorden en getallen waren.

Het kleine beetje rebelse dat ik in me heb kwam bij mij naar boven toen ik op een bepaald moment een poster wilde maken. Ik had bedacht om het belangrijkste erop te zetten, namelijk de aanleiding, de conclusie en de geweldig mooie grafiek die ik had gemaakt. Onderaan had ik toegevoegd “methoden en data staan uitgebreid beschreven op de achterkant van de handout”. Want een stapel geprinte versies had iedereen altijd bij zich.

Maar ik werd teruggefloten. “Alles moet op de poster staan”.

Waarom eigenlijk?

In een eerdere blog had ik het al een keer over de noodzaak om goed na te denken over de denkvoorsprong die je hebt op je publiek.

Een goede anekdote, een grap, een leuk plaatje. Het kan allemaal helpen om je publiek bij je te houden en te zorgen dat zij je verhaal volgen. In elk vakgebied zijn er wel wetenschappers die het wel kunnen. Ze doen op een geweldige manier hun verhaal, waar naar geluisterd wordt. Zolang ze de inhoud maar centraal zetten.

Een drietal tips voor een betere presentatie in academische setting:

  • Begin met de inhoud;
  • Probeer iets “anders” te doen; en
  • Oefen klein.

Begin met de inhoud

De inhoud is voor wetenschappelijke communicatie het allerbelangrijkste. Daar begint het mee. Zorg dat je heel duidelijk voor jezelf de kernboodschap hebt. Schrijf die op voor jezelf, zodat je regelmatig kan terugverwijzen. Want ik heb veel artikelen gelezen, die volgens de “wetten van de vorm” klopten, maar waar ik aan het einde niet weet waar het nu om ging. Deze schrijvers hebben het formulier ingevuld, geen artikel geschreven.

Wat je niet moet doen is beginnen met een slide deck in powerpoint te maken. Tenzij je expliciet jezelf daarna er van weet los te maken, hebben mensen de neiging om de powerpoint het verhaal te maken. Terwijl de slides je verhaal moet ondersteunen. Het is niet je verhaal, het is de stellage waarbinnen je het verhaal verteld.

Durf ook keuzes te maken. Ja, het kan best zijn dat jij twee maanden bezig bent geweest met data opschonen, maar meer dan een zin hoeft daar niet aan gewijd te worden. Hoe groot het ook is voor jou, voor het publiek is het een technisch detail. Bekijk dus alles dat je vertelt of je dat doet omdat jij het belangrijk vindt, of omdat het publiek het nodig heeft om de resultaten te duiden.

Mensen hebben ook de neiging om extra moeilijke woorden te gebruiken. Daarmee denken ze slimmer over te komen. Of op z’n minst proberen ze te laten zien dat zij ook in “het wereldje” thuishoren. Jargon als toegangsbewijs. Als het niet nodig is voor de inhoud: weglaten.

Probeer iets “anders” te doen

Om gelezen, gehoord of gezien te worden moet je opvallen. Veel academische artikelen hebben daarom al “leuke” titels. Mijn proefschrift staat er vol mee: “The Road not Taken” (aanzienlijk minder mensen dan ik had gehoopt snapten dat dit een verwijzing naar een gedicht was), “Largely ignored” en “Crossing borders”.

Dat is een leuk begin, maar je hebt vaak wat meer nodig. Een persoonlijke favoriet, vanwege de briljante opzet en conclusie, gaat over het Beatles nummer “When I’m 64”: door naar dat nummer te luisteren wordt je eigen ervaren leeftijd lager (Nee, echt waar: statistisch significant enzo).

Simmons, J. P., Nelson, L. D., & Simonsohn, U. (2011). False-positive psychology: Undisclosed flexibility in data collection and analysis allows presenting anything as significant. Psychological Science, 22(11), 1359–1366.

Mooie plaatjes helpen altijd, zeker bij een presentatie. Grafieken zijn meer dan alleen “data in visuele vorm”, daar kan zo veel meer mee. Lees bijvoorbeeld eens het boek “Data Visualisation” van Andy Kirk.

Neem de tijd om een analogie te vinden om een groot concept te vertellen. Ik heb ooit data synthese (het combineren en analyseren van diverse databronnen) uitgelegd met de Boeddhistische parabel van de blinde mannen en een olifant.

Of gooi er een grap in. Ik ben er van overtuigd dat een prijs voor de beste presentatie die ik ooit heb ontvangen vooral te danken is aan 1 foto van een breed glimlachende, met yoghurt besmeurde dochter.

Je hebt maar beperkt tijd en ruimte. Maximaal 5,000 woorden. Maximaal 10 minuten, plus vragen. Maximaal 1 A0 poster. Daar moet je de aandacht mee pakken, en vasthouden.

Oefen klein

Veel academici kiezen voor het vak omdat ze graag met die inhoud bezig zijn. Maar een minderheid vind het leuk om college te geven, presentaties te doen, of op een andere manier “weg” te komen van het bureau. Terwijl dat een essentieel onderdeel is van het academische leven. Je wil niet alleen kennis vergaren, maar die moet ook de wereld in.

En hoe moeilijk dat ook is, het kan beter. Door goede begeleiding, maar vooral door het vaker te doen. Schrik dus niet terug voor een lunchlezing: alle mensen daar zijn ook ooit begonnen waar jij was. Ze eten je niet op. Geef je presentatie eventueel aan je kamergenoot en ontvang feedback. Gebruik die feedback.

Academische communicatie kan een stuk beter. Dus wetenschappers: bevrijd je van de academische conventies. Als je tenminste gehoord wil worden.

Pepijn Vemer

Categorieën
blog

Gapen als overtuigingstechniek

Overtuigen is in essentie heel simpel: je trekt de aandacht, daarna zorg je dat je publiek je boodschap begrijpt, en daarna doe je er alles aan dat je publiek hem accepteert. In de praktijk is het natuurlijk een stuk lastiger, maar in principe is dit het schema. Mijn interesse werd dan ook gewekt toen ik de term “shock and yawn” hoorde, waarbij het juist de bedoeling is om te overtuigen door aandacht en begrip te verminderen. Door je publiek te laten wennen aan steeds heftiger nieuws, krijgt elke volgende stap niet meer de aandacht die het in andere tijden had verdient.

Shock and Awe

De term Shock and Yawn is gebaseerd op Shock and Awe, letterlijk: shockeren en gezag inboezemen. Volgens genootschap Onze Taal is de term in de jaren ’90 bedacht door oorlogstheoretici, waarmee ze een massabombardement bedoelen dat zo groot is dat het in één klap het moreel van de vijand breekt, door massaal angst en ontzag in te boezemen. De aanval op Hiroshima en Nagasaki in 1945 is een voorbeeld.

In de communicatie kom je de term nog wel eens tegen binnen marketing of PR (public relations). Door expres controverse in te zetten, of door een verrassende aanpak, probeer je op te vallen binnen het publieke domein, en het publiek langer vast te houden dan anderen. Mijn vroegste herinnering aan een dergelijke campagne is United Colors of Benetton begin jaren 90, met verwijzingen naar de AIDS-crisis. Bij de opening van het Groninger Museum in 1994 werden expres Piss Christ en “die plasseksfoto” van Andres Serrano op posters gezet. Wat je ook van de foto’s vindt: het was wel effectief om het nieuwe museum meteen op de kaart te zetten.

Tot zover het standaardschema aandacht-begrijpen-accepteren. Maar dan volgepompt met anabole steroïden.

Shock and yawn

De term Shock and Yawn hoorde ik toen iemand praatte over het huidige nieuws in de Verenigde Staten. Vanuit de regering gaat men steeds een stapje verder over een grens, om het vorige item al weer te doen vergeten. Je bent net bekomen van het vorige nieuwsitem, en het volgende dient zich al weer aan. Wie houdt zich bezig met de Epstein Files, als je je druk moet maken over invoertarieven? Waarom vragen stellen over invoertarieven, als er een “historisch bezoek” is? Wie heeft er tijd om uit de doeken te doen dat het bezoek feitelijk een fiasco was, als er net een aanval is op een vermeende drugsboot? Waarom details vragen over de aanleiding van een aanval op een Venezolaanse vissersboot, als je… Et cetera.

En wie neemt de tijd om vragen te stellen over het betegelen van een groot deel van de oude Rose Garden, over vermeende goedkope prullaria en over de noodzaak tot de bouw van een Ballroom, als je ook aandacht moet geven aan het Israël-Gaza standpunt, aan China, aan de NAVO?

Het doel van Shock and Yawn is mensen zo vaak van onderwerp naar onderwerp te sturen dat ze vanzelf ophouden met het te volgen. Het is een techniek die de aandacht expres steeds op een ander nieuwsbericht gooit en daarmee begrip wil verbloemen. Op die manier wil je acceptatie krijgen, omdat men geen tijd of energie heeft om er tegenin te gaan.

Andere politieke strategieën

Shock and Yawn is een uitgebreide variant van een aantal andere politieke communicatiestrategieën. Om te beginnen Take out the Trash Day, die ik leerde kennen door de gelijknamige aflevering van de televisieserie The West Wing. Terwijl er groot nieuws is, snel ander slecht nieuws naar buiten brengen, omdat het dan begraven wordt onder “het verhaal van de dag”. Of een andere optie: het gebeurt nog wel eens dat iemand vervelend nieuws op vrijdagavond naar buiten brengt, als de zaterdagkranten eigenlijk al klaar liggen om geprint te worden, de late journaals zijn geweest, en een groot deel van Nederland is met andere dingen bezig. Let er maar eens op.

Als je expres ander nieuws naar buiten brengt of zelfs fabriceert, om ander nieuws te verstoppen, noemen ze dat Wag the Dog. Ook deze is beroemd geworden door Hollywood, waarin een oorlog wordt uitgelokt om een presidentieel sex schandaal te verbergen. De film kwam uit vlak voor het Clinton schandaal, meteen gevolgd door een bombardement in Soedan. De speculaties en vergelijkingen waren niet van de lucht.

Nog een stapje verder is Flood the Zone, waarbij je niet één groot item gebruikt om ander nieuws te verdrinken, maar een massale grote uitstorting van nieuwsberichten. We zagen dit bijvoorbeeld na MH17, waarna er vanuit Rusland niet allen werd ontkend dat zij verantwoordelijk waren, maar er werden meteen honderden alternatieve verklaringen geproduceerd en gedeeld, waardoor de aandacht werd afgeleid van het narratief dat wij hier in het Westen hadden.

En als je Flood the Zone dan consequent, weken achter elkaar, blijft doorzetten, wordt het Shock and Yawn. Een bewuste strategie om het publiek zo murw te beuken dat ze geen aandacht meer hebben voor wat ze vroeger schokkend zouden vinden.

Pepijn Vemer

Categorieën
blog

Albert en Aboutaleb; Dilan en Timmermans

Afgelopen weekend kwam ik dit bericht tegen, waarin onder meer werd gewezen op het gebruik van de achternaam van Ahmed Aboutaleb, oud-burgemeester van Rotterdam, terwijl in de berichtgeving van RTL “onze Albert” Verlinde met de voornaam werd aangeduid. Sahar Noor heeft het denk ik terecht over het creëren van afstand en onbewust uitsluiten.

Aan de andere kant wordt er nu al een paar keer gewezen door verslaggever Marleen de Rooy in podcast De Stemming dat Dilan Yeşilgöz heel vaak bij de voornaam wordt aangeduid, terwijl de “mannen bij de lijsttrekkers” bij de achternaam worden genoemd. “Wilders, Timmermans en Dilan”. Het was me al eerder opgevallen, maar had het nooit zo duidelijk verwoord gekregen, en Sahar Noor en Marleen de Rooy verdienen daar de complimenten voor.

Een ander beroemd voorbeeld dat Joost Vullings er tegenin bracht was Femke Halsema, die vaak Femke werd genoemd. Dat zou wellicht anders kunnen zijn, omdat zij daar zelf op aandrong, ook binnen de eigen partij, en omdat dit bij het beeld paste dat zij van zichzelf had en dat ze wilde uitstralen. Maar als men het dan zou hebben over “Cohen, Pechtold en Femke”, kan dat haar geloofwaardigheid naar buiten toe ondermijnen.

Het gebruik van een voornaam is intiem, dichtbij. De achternaam is vaak wat professioneler, maar ook afstandelijker. Je moet dus goed nadenken welke van de twee je wanneer gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan de “Beste Els” affaire, waarmee Frits Bolkestein met persoonlijke brieven probeerde het beleid van Minister Borst probeerde te beïnvloeden. ”Ik kan mijn taak als fractievoorzitter van de VVD prima scheiden van de rol als commissaris van MSD.”

Je moet echt gaan opletten als er in een groep mensen sommigen met de voornaam, en anderen met de achternaam worden aangeduid. Daar schuilt altijd iets achter. Het kan een natuurlijk een koosnaampje zijn (“Van Binsbergen!”), maar vaak is het (onbewust) vervelender.

Een ander voorbeeld. Ik ben groot fan van “No such thing as a fish”. Four QI-elves, mensen die achter de schermen het leuke BBC programma QI/Quite Interesting voorbereiden, delen elke week hun “four favourite facts”. Een tijd geleden ben ik oude afleveringen aan het luisteren. Wat schetst mijn verbazing toen bleek, dat de drie mannen consequent werden aangeduid als “Dan, “James”, en “Andy”, terwijl Anna steeds werd aangekondigd als “Ptaszynski”. Gelukkig is er tussen de oude afleveringen (ik ben nu bij zeven jaar geleden) en toen ik twee jaar geleden begon met nieuwe afleveringen, blijkbaar iets veranderd. En zijn de vier partners gelijkwaardig, ook in de aankondiging.

Helemaal erg werd het tijdens een congres waar ik ooit bij een sessie zat. Grote zaal, ongeveer 1.000 man publiek. De moderator riep de verschillende panelleden het podium op, en vroeg het laatste panellid, “hoe wilt u aangeduid worden? Mejuffrouw of Mevrouw?”/”How do I address you? Miss or mrs?”.

Nu vind ik sowieso dat moderatoren en dagvoorzitters met pek en veren moeten worden afgevoerd als ze niet vooraf de namen hebben leren uitspreken van de mensen op het podium, of even hebben besproken hoe ze geïntroduceerd willen worden. Het kost je een paar minuten. Als je zelfs dat niet kan, wat doe je op het podium?

Maar de doodsteek die deze man kreeg, gevolgd door hoongelach uit het publiek en een gezicht waaruit alle bloed was weggetrokken, was voor mij in ieder geval iets van voldoening.

Met een ijzige blik keek ze hem recht in het gezicht aan, en zei “Doctor”.

Categorieën
blog

“Make it so”

Afgelopen maandag was het Star Trek Day: de dag dat 59 jaar geleden de eerste aflevering van Star Trek werd uitgezonden. Ik kan veel zeggen over mijn liefde voor Science Fiction, en voor Star Trek in het bijzonder. Laat ik het voor nu vooral houden op het hoopvolle beeld dat de serie geeft van de toekomst: de mens heeft het voor elkaar gekregen om op aarde discriminatie, armoede en ziekte uit te bannen.

Het bijna archetypische beeld van de “morele en goede mens” moet wel bijna Jean-Luc Picard zijn, “mijn” kapitein. Als kind van de jaren ’70 was The Next Generation mijn eerste aanraking met Star Trek en nog steeds een grote liefde.

Over Picard wordt in de serie veel gezegd: humanist, diplomaat, leider. Ik kan hem eindeloos quoten, en dat moet ik misschien maar eens doen de komende dagen.

Maar waar ik maandag vooral aan moest denken, is hoe de acteur achter Picard op zijn eigen manier moreel leiderschap vertoond. Hij is een uitgesproken voorstander van gelijke rechten, spreekt zich uit over mensenrechten en tegen huiselijk geweld. En omdat hij weet dat er meer geluisterd wordt naar oude, witte mannen gebruikt hij zijn eigen status.

Vandaar voor vandaag deze foto, die al jaren op mijn telefoon staat. Moge hij een voorbeeld zijn voor ons allemaal. “Make it so.”

#RetorischLeiderschap #Ethiek

#StarTrek #LLAP

Patrick Stewart staat enigzins chagerijnig kijkend op een straat, gekleed in donkere kleding. Hij draagt een plastic tas en een bord. Op het bord: Defend rights for women and girls - Amnesty International"
Caption: People won't listen to you or take you seriously unless you're an old white man, and since I'm an old white man I'm going to use that to help the people who need it."
Categorieën
blog Vijf Wijsheden GR2026

Je overtuigt mensen op gevoel

Wijsheid 5

Wijsheden voor de komende raadsperiode

Ik heb op veel verschillende plekken gewerkt: een universiteit, onderzoeksbureaus van divers formaat, lokale overheid. En overal waren de belangrijkste overtuigingsmiddelen rapporten, artikelen, grafieken. In de retorica noemen we dat Logos, laten we zeggen: het hoofd.

Logos zorgt ervoor dat je publiek jou kan volgen.

Tijdens een eerdere post in deze serie benoemden we al dat dit niet voldoende is. Je moet kunnen bouwen op je kern: jouw eigen normen en waarden en die delen met je publiek. Je moet communiceren in lijn met jouw diepste overtuigingen, en dat overbrengen. In de retorica noemen we dat Êthos, ofwel het hart.

Êthos zorgt ervoor dat je publiek jou wil volgen.

Maar uiteindelijk zijn dat kanten van je verhaal die iedereen weer vergeet als je van het podium afstapt. De geweldige schrijver Maya Angelou zei al:

“I’ve learned that people will forget what you said, people will forget what you did, but people will never forget how you made them feel”.

In de retorica noemen we dat Pathos, de (onder)buik. Pathos zorgt ervoor dat je publiek jou wil volgen.

De emotionele kant van communicatie laat zich niet makkelijk in regels vangen. Daar is het emotie voor. Complimenten geven om het publiek zich te laten voelen werkt tijdens de jaarlijkse vrijwilligersbarbecue, maar minder als je een rechtbank toespreekt. Woede oproepen werkt in heel goed in een politieke speech (daarom wordt het zoveel gebruikt) en roept op tot actie. Maar het is misschien een minder handige emotie als je daarna een positief verhaal wil delen.

Maar er zijn wel een paar handreikingen, die een kandidaatwethouder in het hoofd, hart en de buik moet opslaan:

  • Bondigheid: samenvatting van de belangrijkste punten;
  • Gepastheid: emoties horend bij de gelegenheid;
  • Emoties: ervaringen en verwachtingen; en
  • Call-to-action: benoemen van de volgende stap.

Bondigheid

Emotioneel raken doe je vaak aan het einde van je toespraak. Een goed gebruik is om je slot te beginnen met een duidelijke, bondige samenvatting van de belangrijkste punten. Dit zorgt dat het publiek weer mentaal op hetzelfde punt is als de spreker. Je kan een publiek niet emotioneel raken als ze nog aan het nadenken zijn over punten die eerder zijn

Uiteraard kies je voor de belangrijkste punten die overeen komen met het verhaal dat jij wil vertellen. Het is goed als je in jouw verhaal de negatieve punten benoemt, maar in je samenvatting kan dat wegblijven.

Dat betekent dus ook dat de samenvatting niet alleen bondig moet zijn, maar vooral ook goed en goed gestructureerd. Zorg daarbij dat je dezelfde volgorde aanhoudt als de rest van je verhaal. Want anders raakt het publiek de weg alsnog kwijt.

Gepastheid

Bij alles dat gezegd wordt, is gepastheid van het grootste belang: het kiezen van de juiste toon, stijl en inhoud. En dat zijn keuzes waar over nagedacht moet worden voor zowel het publiek, de locatie en de gelegenheid. Daar moet je dus vooraf over nadenken.

Kan ik hier langzaam of snel spreken? Hoe diep kan ik gaan in mijn argumentatie? Moet ik professioneel en afstandelijk overkomen, of juist een vriendelijke en intieme sfeer creëren? En welke emoties horen hier wel en niet thuis?

Hoe veel slecht vallende grappen zouden niet voorkomen kunnen worden als er even over de gelegenheid was nagedacht?

Emoties

Als je hebt gezocht naar de juiste emoties, moet je die nog aanspreken. Dat kan natuurlijk door de emoties vóór te leven, en het publiek hierin meetrekken. Een grotere kans op succes is als je weet waar de emoties van je publiek vandaan komen: uit ervaringen uit het verleden, en verwachtingen over de toekomst.

Wil je blijdschap aanzetten, dan vertel je over een vrolijke gebeurtenis die je publiek bekend voorkomt, of over het mooie plan dat we samen gaan ontwikkelen. Wil je juist een negatieve emotie benadrukken, dan herhaal je juist een vervelende gebeurtenis, of vertel je wat er gaat gebeuren als men jou niet volgt.

Call-to-action

Zelf merk ik dat de meest effectieve manier om iemand een emotie daadwerkelijk te laten doorvoelen, deze persoon ook meteen een manier te geven om de emotie te uiten. Pas dan wordt de emotie geïnternaliseerd. Dat doe je door je publiek een handelingsperspectief te geven. Je benoemt (en eventueel onderbouwt) een volgende stap, of natuurlijk stappen, die het publiek kan nemen.

“Wordt lid!”

“Sluit je aan!”

“I know that everyone here will soon be marching over to the Capitol building to peacefully and patriotically make your voices heard.”

Conclusie

We hebben in de afgelopen vijf weken een aantal wijsheden voor kandidaatwethouders gedeeld. Door deze toe te passen is ook jouw kans op een succesvolle campagne vergroot, en kan jij ook een productieve periode als lokaal bestuurder hebben.

Nog maar één stap te gaan: meld je aan voor ons Atelier “Versterk je Politieke Impact”, speciaal voor wethouderskandidaten!


Deze post is onderdeel van de reeks Wijsheden voor de komende raadsperiode, communicatie en ethisch leiderschap voor wethouders

Goed voorbereiden op je wethouderschap?
Kom op 23 of 25 september naar ons Atelier “Versterk je Politieke Impact”, speciaal voor wethouderskandidaten.
Opgeven via info@retorischleiderschap.nl.
De kosten van € 395 worden voor huidige raadsleden vaak vergoed vanuit het fractiebudget. Neem daarvoor contact op met je griffier.

Categorieën
blog

Coalitievoorkeuren

Het circus is weer op de wagen: we gaan als land langzaam in de campagnestand. Partijen balanceren tussen hard campagnevoeren en toch proberen elkaar niet al te hard af te vallen “want in Nederland moeten we met elkaar verder”. Aangemoedigd door talkshows die lijsttrekkers een dikke stift in de hand geven en vragen om de zetelverdeling te voorspellen. Verleid tot een antwoord door continue vragen over poppetjes en “wie met wie en wie niet met wie”. Partijen zullen zich proberen te onderscheiden van de ander, en tegelijk de kans op kabinetsdeelname te vergroten.

Overwegingen vanuit de retorica

Even los van de politieke overwegingen om het wel of niet te doen, vroeg ik mij afgelopen dagen af wat nu de overwegingen vanuit de retorica zijn om je coalitievoorkeur wel of niet expliciet te maken. Dat is van belang voor de komende nationale verkiezingen, maar in maart zijn er ook lokale verkiezingen en ook daar speelt de overweging. Je kiest in Nederland tenslotte niet een premier, een regering, of een wethoudersploeg, maar een partij.

Of beter (en daar ben ik sowieso voorstander van) een kandidaat-volksvertegenwoordiger. En die gekozen volksvertegenwoordigers gaan dan samen een meerderheid vormen.

Omdat we op deze manier stemmen, is het handig om vooraf te weten wat de voorkeuren zijn voor samenwerking. Of in ieder geval welke overwegingen meespelen. Vanuit onze definitie van retorisch leiderschap -het gebruik van retorische middelen om het gedrag van anderen te beïnvloeden om een gezamenlijk doel voor elkaar te krijgen- kwam ik uit op het begrip identificatie.

Uiteraard is het een goed idee dat de kiezer weet waar de mogelijke samenwerking ligt. Het openstellen van de PVV door de VVD vorige verkiezingen had direct gevolgen voor de stemmer. “Ik wil met Pieter”, was een prettig duidelijke uitspraak. En de tweestrijd tussen VVD en PvdA bespreken we na 13 jaar nog steeds, net als de collectieve whiplash toen Rutte en Samsom ineens boezemvrienden werden.

Hoe speelt hier dan identificatie mee? Het is het helpen van een groep om zich te definiëren als een gemeenschap, met gedeelde waarden, belangen en problemen. En, heel belangrijk, ze is in staat om gezamenlijk actie te ondernemen. Omdat iedereen meerdere identiteiten heeft, werkt identificatie door het benadrukken van dat deel van de (gedeelde) identiteit die het meest prominent is op dat moment. Identificatie staat centraal in retorisch leiderschap, meer nog dan overtuigen.

Voor en na de verkiezingen

Voor de verkiezingen is de gemeenschap de mensen die op jou (kunnen) stemmen. Jij als politicus vertelt welke waarden en belangen ze met elkaar en met jou delen. Je laat zien welke problemen we gezamenlijk ondervinden en geeft ze meteen de oplossing: op jou stemmen. Omdat het handig is om definitie aan te brengen, geef je een onderscheid tussen “wij” en “zij”; een “zij” met andere waarden en belangen.

Na de verkiezingen is de gemeenschap, als je tenminste in een coalitie stapt, alle inwoners van jouw gemeente, provincie of land. Immers, je bent nu een vertegenwoordiger van meer dan alleen jouw stemmers. Je gaat met je coalitiepartners op zoek naar de gedeelde waarden en belangen, en deelt dit met de inwoners. Je pakt de problemen aan en werkt aan de oplossingen.

Dat is een draai die soms zeer kan doen. Of in ieder geval lastig uit te leggen is. Retorica is altijd een balans. Er is niet één oplossing die altijd werkt. Misschien is een richting wel dat je wegblijft uit een vaste keuze, maar dat je wel je overwegingen openbaar maakt. Waar wil je de nadruk op leggen, welke thema’s zijn van het grootste belang? Al snap ik dat dit vanuit onderhandelingsoogpunt niet altijd handig is, en ook dat journalisten je hier niet zomaar mee weg laten komen.

Een andere denkrichting is dat je niet voor de verkiezingen niet te ver moet gaan in wat voor dat moment verstandig is. Voor de verkiezingen heb je baat erbij om te simplificeren, om duidelijkheid te geven en een grens tussen “wij” en “zij” aan te geven. Om tribalisme aan te wakkeren, en te laten zien dat jij “de oplossing” hebt. En hoe meer je dat doet vooraf, hoe harder je in de ankers moet na de verkiezingen. Zoals ik ooit ergens las: “hoe sneller je wilt draaien, hoe langzamer je moet gaan”. Een beetje de snelheid eruit vooraf, helpt achteraf.

Wat in mijn ogen niet blijkt te werken is de retorische truc “ik sluit de partij uit, maar niet de kiezers” of varianten daarop. Omdat kiezers nu eenmaal een keuze hebben gemaakt -en zich dus voor in ieder geval dat moment hebben geïdentificeerd met die partij- is er geen onderscheid tussen partij en kiezer.

Er zijn de afgelopen jaren diverse politiek leiders geweest die hebben geprobeerd de draai helemaal niet te maken. Politici die meedoen aan een coalitie, maar toch in de volksvertegenwoordigersrol blijven, “om kleur te geven aan de eigen partij”. Zij hoeven die draai niet te maken, en kunnen zich houden aan de identificatie die ze voor de verkiezingen ook hadden. Denk daarbij aan Bolkenstein in de jaren Kok, aan Wilders met zijn gedoogconstructie in Rutte-I, of de politiek leiders die in de Tweede Kamer bleven zitten tijdens het Kabinet Schoof. Dat is makkelijk vanuit de eigen partij gezien, maar maakt het moeilijker om samen te werken. En het zorgt voor continue campagne, in plaats van gezamenlijk problemen oplossen.

In mijn ogen gaat ook politiek niet over het overtuigen van mensen van jouw gelijk, maar van het vinden van de beste oplossing binnen alle opties. Daarbij werkt identificatie, maar is het net zo belangrijk om soms de grenzen te vervagen tussen “wij” en “zij”. Want uiteindelijk zijn we allemaal “wij”.

Pepijn Vemer